Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Level B2 · Regular

Emigreren conjugation

emigreren = to emigrate

Infinitive
emigreren
Past
emigreerde · emigreerden
Perfect
is geëmigreerd

Quick answer

Emigreren means to emigrate. Past tense: emigreerde (singular) and emigreerden (plural). Past participle: geëmigreerd, with zijn: ik ben geëmigreerd.

Practise emigreren

Present (tegenwoordige tijd)

ikemigreer
jijemigreert
hij/zij/hetemigreert
wijemigreren
jullieemigreren
zijemigreren

Past (verleden tijd)

ikemigreerde
jijemigreerde
hij/zij/hetemigreerde
wijemigreerden
jullieemigreerden
zijemigreerden

Perfect (voltooide tijd)

ikben geëmigreerd
jijbent geëmigreerd
hij/zij/hetis geëmigreerd
wijzijn geëmigreerd
julliezijn geëmigreerd
zijzijn geëmigreerd

Past perfect (voltooid verleden tijd)

ikwas geëmigreerd
jijwas geëmigreerd
hij/zij/hetwas geëmigreerd
wijwaren geëmigreerd
julliewaren geëmigreerd
zijwaren geëmigreerd

Future (toekomende tijd)

ikzal emigreren
jijzult emigreren
hij/zij/hetzal emigreren
wijzullen emigreren
julliezullen emigreren
zijzullen emigreren

Conditional (voorwaardelijke wijs)

ikzou emigreren
jijzou emigreren
hij/zij/hetzou emigreren
wijzouden emigreren
julliezouden emigreren
zijzouden emigreren

Practise emigreren

Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.

1 of 60 ✓

Present

ik

How this verb works

  • Regular verb. The stem is emigreer. The infinitive emigreren has r before -en, which is not in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), so the past tense takes -de (emigreerde, emigreerden) and the participle ends in -d (geëmigreerd).
  • When jij comes after the verb, the -t drops: jij emigreert, but emigreer jij?
  • Perfect tense with zijn: ik ben geëmigreerd, not ik heb geëmigreerd.

Questions about Dutch verbs

What is the past tense of emigreren?

emigreerde (ik, jij, hij/zij/het) and emigreerden (wij, jullie, zij).

What is the past participle of emigreren?

geëmigreerd, with zijn: ik ben geëmigreerd.

Is emigreren used with hebben or zijn?

With zijn: ik ben geëmigreerd, hij is geëmigreerd.

More verbs

All verbsAll verbs A to ZSeparable verbs: rules and checkerDe or het checker

Want to stop looking words up?

The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.

Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.