Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Level B1 · Regular

Gokken conjugation

gokken = to gamble, guess

Infinitive
gokken
Past
gokte · gokten
Perfect
heeft gegokt

Quick answer

Gokken means to gamble, guess. Past tense: gokte (singular) and gokten (plural). Past participle: gegokt, with hebben: ik heb gegokt.

Practise gokken

Present (tegenwoordige tijd)

ikgok
jijgokt
hij/zij/hetgokt
wijgokken
julliegokken
zijgokken

Past (verleden tijd)

ikgokte
jijgokte
hij/zij/hetgokte
wijgokten
julliegokten
zijgokten

Perfect (voltooide tijd)

ikheb gegokt
jijhebt gegokt
hij/zij/hetheeft gegokt
wijhebben gegokt
julliehebben gegokt
zijhebben gegokt

Past perfect (voltooid verleden tijd)

ikhad gegokt
jijhad gegokt
hij/zij/hethad gegokt
wijhadden gegokt
julliehadden gegokt
zijhadden gegokt

Future (toekomende tijd)

ikzal gokken
jijzult gokken
hij/zij/hetzal gokken
wijzullen gokken
julliezullen gokken
zijzullen gokken

Conditional (voorwaardelijke wijs)

ikzou gokken
jijzou gokken
hij/zij/hetzou gokken
wijzouden gokken
julliezouden gokken
zijzouden gokken

Practise gokken

Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.

1 of 60 ✓

Present

ik

How this verb works

  • Regular verb. The stem is gok. The infinitive gokken has k before -en, one of the sounds in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), so the past tense takes -te (gokte, gokten) and the participle ends in -t (gegokt).
  • When jij comes after the verb, the -t drops: jij gokt, but gok jij?

Questions about Dutch verbs

What is the past tense of gokken?

gokte (ik, jij, hij/zij/het) and gokten (wij, jullie, zij).

What is the past participle of gokken?

gegokt, with hebben: ik heb gegokt.

Is gokken used with hebben or zijn?

With hebben: ik heb gegokt, hij heeft gegokt.

More verbs

All verbsAll verbs A to ZSeparable verbs: rules and checkerDe or het checker

Want to stop looking words up?

The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.

Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.