Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Level B1 · Regular

Kleden conjugation

kleden = to dress or suit

Infinitive
kleden
Past
kleedde · kleedden
Perfect
heeft gekleed

Quick answer

Kleden means to dress or suit. Past tense: kleedde (singular) and kleedden (plural). Past participle: gekleed, with hebben: ik heb gekleed.

Practise kleden

Present (tegenwoordige tijd)

ikkleed
jijkleedt
hij/zij/hetkleedt
wijkleden
julliekleden
zijkleden

Past (verleden tijd)

ikkleedde
jijkleedde
hij/zij/hetkleedde
wijkleedden
julliekleedden
zijkleedden

Perfect (voltooide tijd)

ikheb gekleed
jijhebt gekleed
hij/zij/hetheeft gekleed
wijhebben gekleed
julliehebben gekleed
zijhebben gekleed

Past perfect (voltooid verleden tijd)

ikhad gekleed
jijhad gekleed
hij/zij/hethad gekleed
wijhadden gekleed
julliehadden gekleed
zijhadden gekleed

Future (toekomende tijd)

ikzal kleden
jijzult kleden
hij/zij/hetzal kleden
wijzullen kleden
julliezullen kleden
zijzullen kleden

Conditional (voorwaardelijke wijs)

ikzou kleden
jijzou kleden
hij/zij/hetzou kleden
wijzouden kleden
julliezouden kleden
zijzouden kleden

Practise kleden

Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.

1 of 60 ✓

Present

ik

How this verb works

  • Regular verb. The stem is kleed. The infinitive kleden has d before -en, which is not in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), so the past tense takes -de (kleedde, kleedden) and the participle ends in -d (gekleed).
  • When jij comes after the verb, the -t drops: jij kleedt, but kleed jij?

Questions about Dutch verbs

What is the past tense of kleden?

kleedde (ik, jij, hij/zij/het) and kleedden (wij, jullie, zij).

What is the past participle of kleden?

gekleed, with hebben: ik heb gekleed.

Is kleden used with hebben or zijn?

With hebben: ik heb gekleed, hij heeft gekleed.

More verbs

All verbsAll verbs A to ZSeparable verbs: rules and checkerDe or het checker

Want to stop looking words up?

The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.

Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.