Level B2 · Irregular, separable
Oplopen conjugation
oplopen = to rise, to sustain (an injury)
- Infinitive
- oplopen
- Past
- liep op · liepen op
- Perfect
- heeft / is opgelopen
Quick answer
Oplopen means to rise, to sustain (an injury). Past tense: liep op (singular) and liepen op (plural). Past participle: opgelopen, with hebben / zijn: ik heb / ben opgelopen.
Practise oplopenPresent (tegenwoordige tijd)
| ik | loop op |
| jij | loopt op |
| hij/zij/het | loopt op |
| wij | lopen op |
| jullie | lopen op |
| zij | lopen op |
Past (verleden tijd)
| ik | liep op |
| jij | liep op |
| hij/zij/het | liep op |
| wij | liepen op |
| jullie | liepen op |
| zij | liepen op |
Perfect (voltooide tijd)
| ik | heb / ben opgelopen |
| jij | hebt / bent opgelopen |
| hij/zij/het | heeft / is opgelopen |
| wij | hebben / zijn opgelopen |
| jullie | hebben / zijn opgelopen |
| zij | hebben / zijn opgelopen |
Past perfect (voltooid verleden tijd)
| ik | had / was opgelopen |
| jij | had / was opgelopen |
| hij/zij/het | had / was opgelopen |
| wij | hadden / waren opgelopen |
| jullie | hadden / waren opgelopen |
| zij | hadden / waren opgelopen |
Future (toekomende tijd)
| ik | zal oplopen |
| jij | zult oplopen |
| hij/zij/het | zal oplopen |
| wij | zullen oplopen |
| jullie | zullen oplopen |
| zij | zullen oplopen |
Conditional (voorwaardelijke wijs)
| ik | zou oplopen |
| jij | zou oplopen |
| hij/zij/het | zou oplopen |
| wij | zouden oplopen |
| jullie | zouden oplopen |
| zij | zouden oplopen |
Oplopen is a separable verb
In a main clause op goes to the end (ik loop op). In a subordinate clause the two parts stay together (dat ik oploop). Participle: opgelopen.
| Main clause | ik loop op |
| Question | loop jij op? |
| Subordinate clause | … dat ik oploop |
| With a modal verb | ik wil oplopen |
| Perfect tense | ik heb / ben opgelopen |
| With om ... te | om op te lopen |
| Imperative | loop op! |
Practise oplopen
Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.
Present
How this verb works
- Irregular verb: the past tense and participle do not follow the regular -te/-de pattern, so learn the three forms together: oplopen, liep op, opgelopen.
- Separable verb. In a main clause the prefix op goes to the end: ik loop op. In a subordinate clause it stays attached: ... dat ik oploop, ... dat ik opliep.
- In the participle, ge goes between the two parts: opgelopen.
- Hebben or zijn: hebben for the activity itself, zijn when you say where to or what changed. Hij heeft een blessure opgelopen. De spanning is flink opgelopen.
Questions about Dutch verbs
What is the past tense of oplopen?
liep op (ik, jij, hij/zij/het) and liepen op (wij, jullie, zij).
What is the past participle of oplopen?
opgelopen, with hebben or zijn depending on the meaning: Hij heeft een blessure opgelopen. De spanning is flink opgelopen.
Is oplopen used with hebben or zijn?
Both, depending on the meaning: Hij heeft een blessure opgelopen. De spanning is flink opgelopen.
Is oplopen a separable verb?
Yes. In a main clause op goes to the end (ik loop op), in a subordinate clause it stays attached (dat ik oploop). Participle: opgelopen.
More verbs
All verbsAll verbs A to ZSeparable verbs: rules and checkerDe or het checker
Want to stop looking words up?
The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.
Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.