Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Level B1 · Regular

Voeden conjugation

voeden = to feed

Infinitive
voeden
Past
voedde · voedden
Perfect
heeft gevoed

Quick answer

Voeden means to feed. Past tense: voedde (singular) and voedden (plural). Past participle: gevoed, with hebben: ik heb gevoed.

Practise voeden

Present (tegenwoordige tijd)

ikvoed
jijvoedt
hij/zij/hetvoedt
wijvoeden
jullievoeden
zijvoeden

Past (verleden tijd)

ikvoedde
jijvoedde
hij/zij/hetvoedde
wijvoedden
jullievoedden
zijvoedden

Perfect (voltooide tijd)

ikheb gevoed
jijhebt gevoed
hij/zij/hetheeft gevoed
wijhebben gevoed
julliehebben gevoed
zijhebben gevoed

Past perfect (voltooid verleden tijd)

ikhad gevoed
jijhad gevoed
hij/zij/hethad gevoed
wijhadden gevoed
julliehadden gevoed
zijhadden gevoed

Future (toekomende tijd)

ikzal voeden
jijzult voeden
hij/zij/hetzal voeden
wijzullen voeden
julliezullen voeden
zijzullen voeden

Conditional (voorwaardelijke wijs)

ikzou voeden
jijzou voeden
hij/zij/hetzou voeden
wijzouden voeden
julliezouden voeden
zijzouden voeden

Practise voeden

Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.

1 of 60 ✓

Present

ik

How this verb works

  • Regular verb. The stem is voed. The infinitive voeden has d before -en, which is not in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), so the past tense takes -de (voedde, voedden) and the participle ends in -d (gevoed).
  • When jij comes after the verb, the -t drops: jij voedt, but voed jij?

Questions about Dutch verbs

What is the past tense of voeden?

voedde (ik, jij, hij/zij/het) and voedden (wij, jullie, zij).

What is the past participle of voeden?

gevoed, with hebben: ik heb gevoed.

Is voeden used with hebben or zijn?

With hebben: ik heb gevoed, hij heeft gevoed.

More verbs

All verbsAll verbs A to ZSeparable verbs: rules and checkerDe or het checker

Want to stop looking words up?

The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.

Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.