Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Level A1 · Regular

Wonen conjugation

wonen = to live (reside)

Infinitive
wonen
Past
woonde · woonden
Perfect
heeft gewoond

Quick answer

Wonen means to live (reside). Past tense: woonde (singular) and woonden (plural). Past participle: gewoond, with hebben: ik heb gewoond.

Practise wonen

Present (tegenwoordige tijd)

ikwoon
jijwoont
hij/zij/hetwoont
wijwonen
julliewonen
zijwonen

Past (verleden tijd)

ikwoonde
jijwoonde
hij/zij/hetwoonde
wijwoonden
julliewoonden
zijwoonden

Perfect (voltooide tijd)

ikheb gewoond
jijhebt gewoond
hij/zij/hetheeft gewoond
wijhebben gewoond
julliehebben gewoond
zijhebben gewoond

Past perfect (voltooid verleden tijd)

ikhad gewoond
jijhad gewoond
hij/zij/hethad gewoond
wijhadden gewoond
julliehadden gewoond
zijhadden gewoond

Future (toekomende tijd)

ikzal wonen
jijzult wonen
hij/zij/hetzal wonen
wijzullen wonen
julliezullen wonen
zijzullen wonen

Conditional (voorwaardelijke wijs)

ikzou wonen
jijzou wonen
hij/zij/hetzou wonen
wijzouden wonen
julliezouden wonen
zijzouden wonen

Practise wonen

Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.

1 of 60 ✓

Present

ik

How this verb works

  • Regular verb. The stem is woon. The infinitive wonen has n before -en, which is not in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), so the past tense takes -de (woonde, woonden) and the participle ends in -d (gewoond).
  • When jij comes after the verb, the -t drops: jij woont, but woon jij?

Questions about Dutch verbs

What is the past tense of wonen?

woonde (ik, jij, hij/zij/het) and woonden (wij, jullie, zij).

What is the past participle of wonen?

gewoond, with hebben: ik heb gewoond.

Is wonen used with hebben or zijn?

With hebben: ik heb gewoond, hij heeft gewoond.

More verbs

All verbsDe or het checker

Want to stop looking words up?

The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.

Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.