Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Level A2 · 10 verbs

10 separable verbs with uit

10 scheidbare werkwoorden met uit

Uit often means out, but not always: uitgeven means to spend money and uitleggen means to explain. In a main clause uit goes to the end: Ik nodig je uit.

The 10 verbs

  1. 01

    uitgaan

    to go out

    Op zaterdag gaan we uit.

  2. 02

    uitnodigen

    to invite

    Ik nodig mijn buren uit voor een borrel.

  3. 03

    uitleggen

    to explain

    De docent legt de regel nog een keer uit.

  4. 04

    uitzoeken

    to find out, to pick out

    Ik zoek uit hoe laat de trein gaat.

  5. 05

    uitgeven

    to spend (money)

    Hij geeft veel geld uit aan kleding.

  6. 06

    uitrusten

    to rest

    Na de wandeling rusten we even uit.

  7. 07

    uitstappen

    to get off, to get out

    Je stapt uit bij de tweede halte.

  8. 08

    uitdoen

    to take off, to switch off

    Doe je jas maar uit.

  9. 09

    uitproberen

    to try out

    We proberen het nieuwe restaurant uit.

  10. 10

    uitkijken

    to watch out

    Kijk uit, de vloer is nat!

Remember

Uitkijken on its own means to watch out: Kijk uit! Uitkijken naar means to look forward to: Ik kijk uit naar de vakantie.

Exercises

Fill in the gaps here or on paper. The answers are under each exercise and in the PDF.

A.Write the verb in the right place

  1. Wij vanavond . (uitgaan)
  2. Ik mijn collega's voor mijn verjaardag. (uitnodigen)
  3. jij de opdracht nog een keer ? (uitleggen)
  4. Mijn zus elke maand te veel geld . (uitgeven)
  5. Ik morgen wanneer de winkel open is. (uitzoeken)
  6. Na het werk hij even op de bank. (uitrusten)
  7. U bij het Centraal Station . (uitstappen)
  8. je schoenen maar . (uitdoen)
  9. We het nieuwe recept vanavond . (uitproberen)
  10. jullie goed bij het oversteken? (uitkijken)
Show answers
  1. gaan … uit
  2. nodig … uit
  3. Leg … uit
  4. geeft … uit
  5. zoek … uit
  6. rust … uit
  7. stapt … uit
  8. Doe … uit
  9. proberen … uit
  10. Kijken … uit

B.Write the perfect tense (hebben or zijn + past participle)

  1. wij / uitgaan: Wij gisteren .
  2. ik / uitnodigen: Ik tien vrienden .
  3. mijn moeder / uitgeven: Mijn moeder al haar geld .
  4. hij / uitstappen: Hij bij de verkeerde halte .
  5. de docent / uitleggen: De docent het goed .
Show answers
  1. zijn … uitgegaan
  2. heb … uitgenodigd
  3. heeft … uitgegeven
  4. is … uitgestapt
  5. heeft … uitgelegd

Get 10 new verbs every week

One themed worksheet in your inbox every week, free. Made for A2 and B1 learners.

Weekly email with 10 Dutch verbs and a free worksheet. Unsubscribe with one click.

More worksheets

Practise online too

Drill every tense with instant feedback in the verb trainer, or look up any verb in the free conjugator.

Want to stop looking words up?

The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.