Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel A2 · Regular

Conjugación de Kleuren

kleuren = colorear, sonrojarse

Infinitivo
kleuren
Pasado
kleurde · kleurden
Perfecto
heeft gekleurd

Respuesta rápida

Kleuren significa colorear, sonrojarse. Pasado: kleurde (singular) y kleurden (plural). Participio: gekleurd, con hebben: ik heb gekleurd.

Practica kleuren

Presente (tegenwoordige tijd)

ikkleur
jijkleurt
hij/zij/hetkleurt
wijkleuren
julliekleuren
zijkleuren

Pasado (verleden tijd)

ikkleurde
jijkleurde
hij/zij/hetkleurde
wijkleurden
julliekleurden
zijkleurden

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikheb gekleurd
jijhebt gekleurd
hij/zij/hetheeft gekleurd
wijhebben gekleurd
julliehebben gekleurd
zijhebben gekleurd

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikhad gekleurd
jijhad gekleurd
hij/zij/hethad gekleurd
wijhadden gekleurd
julliehadden gekleurd
zijhadden gekleurd

Futuro (toekomende tijd)

ikzal kleuren
jijzult kleuren
hij/zij/hetzal kleuren
wijzullen kleuren
julliezullen kleuren
zijzullen kleuren

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou kleuren
jijzou kleuren
hij/zij/hetzou kleuren
wijzouden kleuren
julliezouden kleuren
zijzouden kleuren

Practica kleuren

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

kleuren en una frase

Completa con la forma correcta. La frase te indica quién y cuándo, y al comprobar tu respuesta ves qué significa.

  1. Presente

    Het meisje de tekening met rode en blauwe potloden.

  2. Pasado

    De kinderen gisteren een mooie tekening voor hun oma.

  3. Pretérito perfecto

    Ik het plaatje met mijn zoon .

  4. Presente

    Wij elke woensdag samen op school.

Cómo funciona este verbo

  • Verbo regular. La raíz es kleur. En el infinitivo kleuren hay una r antes de -en, que no está en 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), así que el pasado lleva -de (kleurde, kleurden) y el participio termina en -d (gekleurd).
  • Cuando jij va después del verbo, se pierde la -t: jij kleurt, pero kleur jij?

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de kleuren?

kleurde (ik, jij, hij/zij/het) y kleurden (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de kleuren?

gekleurd, con hebben: ik heb gekleurd.

¿El verbo kleuren va con hebben o con zijn?

Con hebben: ik heb gekleurd, hij heeft gekleurd.

Más verbos

Todos los verbosTodos los verbos de la A a la ZVerbos separables: reglas y comprobadorComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.