Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel B1 · Regular

Conjugación de Passeren

passeren = pasar, suceder

Infinitivo
passeren
Pasado
passeerde · passeerden
Perfecto
heeft / is gepasseerd

Respuesta rápida

Passeren significa pasar, suceder. Pasado: passeerde (singular) y passeerden (plural). Participio: gepasseerd, con hebben / zijn: ik heb / ben gepasseerd.

Practica passeren

Presente (tegenwoordige tijd)

ikpasseer
jijpasseert
hij/zij/hetpasseert
wijpasseren
julliepasseren
zijpasseren

Pasado (verleden tijd)

ikpasseerde
jijpasseerde
hij/zij/hetpasseerde
wijpasseerden
julliepasseerden
zijpasseerden

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikheb / ben gepasseerd
jijhebt / bent gepasseerd
hij/zij/hetheeft / is gepasseerd
wijhebben / zijn gepasseerd
julliehebben / zijn gepasseerd
zijhebben / zijn gepasseerd

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikhad / was gepasseerd
jijhad / was gepasseerd
hij/zij/hethad / was gepasseerd
wijhadden / waren gepasseerd
julliehadden / waren gepasseerd
zijhadden / waren gepasseerd

Futuro (toekomende tijd)

ikzal passeren
jijzult passeren
hij/zij/hetzal passeren
wijzullen passeren
julliezullen passeren
zijzullen passeren

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou passeren
jijzou passeren
hij/zij/hetzou passeren
wijzouden passeren
julliezouden passeren
zijzouden passeren

Practica passeren

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

passeren en una frase

Completa con la forma correcta. La frase te indica quién y cuándo, y al comprobar tu respuesta ves qué significa.

  1. Presente

    De trein elke ochtend ons huis.

  2. Pasado

    Een rode auto ons op de snelweg.

  3. Pretérito perfecto

    De vrachtwagen de fietser veel te dicht .

  4. Oración subordinada

    Ik schrok toen de bus ons ineens .

Cómo funciona este verbo

  • Verbo regular. La raíz es passeer. En el infinitivo passeren hay una r antes de -en, que no está en 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), así que el pasado lleva -de (passeerde, passeerden) y el participio termina en -d (gepasseerd).
  • Cuando jij va después del verbo, se pierde la -t: jij passeert, pero passeer jij?
  • Hebben o zijn: hebben para la actividad en sí, zijn cuando dices adónde o qué cambió. De vrachtwagen heeft ons gepasseerd. We zijn de grens bij Venlo gepasseerd.

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de passeren?

passeerde (ik, jij, hij/zij/het) y passeerden (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de passeren?

gepasseerd, con hebben o zijn según el significado: De vrachtwagen heeft ons gepasseerd. We zijn de grens bij Venlo gepasseerd.

¿El verbo passeren va con hebben o con zijn?

Con los dos, según el significado: De vrachtwagen heeft ons gepasseerd. We zijn de grens bij Venlo gepasseerd.

Más verbos

Todos los verbosTodos los verbos de la A a la ZVerbos separables: reglas y comprobadorComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.