Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Level B1 · Regular

Passeren conjugation

passeren = to pass, happen

Infinitive
passeren
Past
passeerde · passeerden
Perfect
heeft / is gepasseerd

Quick answer

Passeren means to pass, happen. Past tense: passeerde (singular) and passeerden (plural). Past participle: gepasseerd, with hebben / zijn: ik heb / ben gepasseerd.

Practise passeren

Present (tegenwoordige tijd)

ikpasseer
jijpasseert
hij/zij/hetpasseert
wijpasseren
julliepasseren
zijpasseren

Past (verleden tijd)

ikpasseerde
jijpasseerde
hij/zij/hetpasseerde
wijpasseerden
julliepasseerden
zijpasseerden

Perfect (voltooide tijd)

ikheb / ben gepasseerd
jijhebt / bent gepasseerd
hij/zij/hetheeft / is gepasseerd
wijhebben / zijn gepasseerd
julliehebben / zijn gepasseerd
zijhebben / zijn gepasseerd

Past perfect (voltooid verleden tijd)

ikhad / was gepasseerd
jijhad / was gepasseerd
hij/zij/hethad / was gepasseerd
wijhadden / waren gepasseerd
julliehadden / waren gepasseerd
zijhadden / waren gepasseerd

Future (toekomende tijd)

ikzal passeren
jijzult passeren
hij/zij/hetzal passeren
wijzullen passeren
julliezullen passeren
zijzullen passeren

Conditional (voorwaardelijke wijs)

ikzou passeren
jijzou passeren
hij/zij/hetzou passeren
wijzouden passeren
julliezouden passeren
zijzouden passeren

Practise passeren

Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.

1 of 60 ✓

Present

ik

How this verb works

  • Regular verb. The stem is passeer. The infinitive passeren has r before -en, which is not in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), so the past tense takes -de (passeerde, passeerden) and the participle ends in -d (gepasseerd).
  • When jij comes after the verb, the -t drops: jij passeert, but passeer jij?
  • Hebben or zijn: hebben for the activity itself, zijn when you say where to or what changed. De vrachtwagen heeft ons gepasseerd. We zijn de grens bij Venlo gepasseerd.

Questions about Dutch verbs

What is the past tense of passeren?

passeerde (ik, jij, hij/zij/het) and passeerden (wij, jullie, zij).

What is the past participle of passeren?

gepasseerd, with hebben or zijn depending on the meaning: De vrachtwagen heeft ons gepasseerd. We zijn de grens bij Venlo gepasseerd.

Is passeren used with hebben or zijn?

Both, depending on the meaning: De vrachtwagen heeft ons gepasseerd. We zijn de grens bij Venlo gepasseerd.

More verbs

All verbsAll verbs A to ZSeparable verbs: rules and checkerDe or het checker

Want to stop looking words up?

The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.

Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.