Dutch Fluency
Vind mijn niveauNiveau
Inloggen

Niveau A2 · 10 werkwoorden

10 separable verbs with op

10 scheidbare werkwoorden met op

Op is the most common separable particle. In a main clause the verb comes second and op goes to the end: Ik sta om zeven uur op.

De 10 werkwoorden

  1. 01

    opbellen

    to call (on the phone)

    Ik bel je morgen op.

  2. 02

    opstaan

    to get up

    Ik sta om zeven uur op.

  3. 03

    opruimen

    to tidy up

    We ruimen de keuken op.

  4. 04

    ophalen

    to pick up, to collect

    Hij haalt de kinderen op van school.

  5. 05

    opletten

    to pay attention

    Let goed op in de les!

  6. 06

    opschrijven

    to write down

    Schrijf het nummer op.

  7. 07

    opzoeken

    to look up

    Ik zoek het woord op in het woordenboek.

  8. 08

    opgeven

    to give up

    Geef niet op!

  9. 09

    opnemen

    to answer (the phone)

    Neem je telefoon op!

  10. 10

    opzetten

    to put on (a hat)

    Zet je muts op, het is koud.

Onthoud

With a modal verb or in a subordinate clause the verb stays together: Ik moet vroeg opstaan. The past participle puts ge in the middle: opgestaan.

Oefeningen

Vul de zinnen hier of op papier aan. De antwoorden staan onder elke oefening en in de PDF.

A.Write the verb in the right place

  1. Ik elke dag om zeven uur . (opstaan)
  2. jij je moeder vanavond ? (opbellen)
  3. Na het eten we de keuken . (opruimen)
  4. Mijn vader me om vijf uur . (ophalen)
  5. Jullie moeten goed in de les. (opletten)
  6. Ik heb zijn telefoonnummer . (opschrijven)
  7. Als ik een woord niet ken, ik het . (opzoeken)
  8. Ik nooit ! (opgeven)
  9. Waarom je je telefoon niet ? (opnemen)
  10. Het is koud. Ik ga mijn muts . (opzetten)
Toon de antwoorden
  1. sta … op
  2. Bel … op
  3. ruimen … op
  4. haalt … op
  5. opletten
  6. opgeschreven
  7. zoek … op
  8. geef … op
  9. neem … op
  10. opzetten

B.Write the perfect tense (hebben or zijn + past participle)

  1. ik / opstaan: Ik vroeg .
  2. wij / opruimen: Wij de kamer .
  3. hij / opbellen: Hij zijn baas .
  4. mijn tante / opgeven: Mijn tante het nooit .
  5. jullie / ophalen: Jullie de pizza .
Toon de antwoorden
  1. ben … opgestaan
  2. hebben … opgeruimd
  3. heeft … opgebeld
  4. heeft … opgegeven
  5. hebben … opgehaald

Elke week 10 nieuwe werkwoorden

Elke week één werkblad met een thema in je inbox, gratis. Gemaakt voor A2 en B1.

Wekelijkse e-mail met 10 Nederlandse werkwoorden en een gratis werkblad. Afmelden met één klik.

Meer werkbladen

Oefen ook online

Oefen alle tijden met directe feedback in de werkwoordentrainer, of zoek elk werkwoord op in de gratis vervoeger.

Wil je niet meer alles opzoeken?

De gratis niveautest laat zien waar je Nederlands nu staat en wat je hierna leert.