Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Level B1 · Regular

Baseren conjugation

baseren = to base

Infinitive
baseren
Past
baseerde · baseerden
Perfect
heeft gebaseerd

Quick answer

Baseren means to base. Past tense: baseerde (singular) and baseerden (plural). Past participle: gebaseerd, with hebben: ik heb gebaseerd.

Practise baseren

Present (tegenwoordige tijd)

ikbaseer
jijbaseert
hij/zij/hetbaseert
wijbaseren
julliebaseren
zijbaseren

Past (verleden tijd)

ikbaseerde
jijbaseerde
hij/zij/hetbaseerde
wijbaseerden
julliebaseerden
zijbaseerden

Perfect (voltooide tijd)

ikheb gebaseerd
jijhebt gebaseerd
hij/zij/hetheeft gebaseerd
wijhebben gebaseerd
julliehebben gebaseerd
zijhebben gebaseerd

Past perfect (voltooid verleden tijd)

ikhad gebaseerd
jijhad gebaseerd
hij/zij/hethad gebaseerd
wijhadden gebaseerd
julliehadden gebaseerd
zijhadden gebaseerd

Future (toekomende tijd)

ikzal baseren
jijzult baseren
hij/zij/hetzal baseren
wijzullen baseren
julliezullen baseren
zijzullen baseren

Conditional (voorwaardelijke wijs)

ikzou baseren
jijzou baseren
hij/zij/hetzou baseren
wijzouden baseren
julliezouden baseren
zijzouden baseren

Practise baseren

Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.

1 of 60 ✓

Present

ik

How this verb works

  • Regular verb. The stem is baseer. The infinitive baseren has r before -en, which is not in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), so the past tense takes -de (baseerde, baseerden) and the participle ends in -d (gebaseerd).
  • When jij comes after the verb, the -t drops: jij baseert, but baseer jij?

Questions about Dutch verbs

What is the past tense of baseren?

baseerde (ik, jij, hij/zij/het) and baseerden (wij, jullie, zij).

What is the past participle of baseren?

gebaseerd, with hebben: ik heb gebaseerd.

Is baseren used with hebben or zijn?

With hebben: ik heb gebaseerd, hij heeft gebaseerd.

More verbs

All verbsAll verbs A to ZSeparable verbs: rules and checkerDe or het checker

Want to stop looking words up?

The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.

Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.