Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Level B2 · Regular

Evacueren conjugation

evacueren = to evacuate

Infinitive
evacueren
Past
evacueerde · evacueerden
Perfect
heeft geëvacueerd

Quick answer

Evacueren means to evacuate. Past tense: evacueerde (singular) and evacueerden (plural). Past participle: geëvacueerd, with hebben: ik heb geëvacueerd.

Practise evacueren

Present (tegenwoordige tijd)

ikevacueer
jijevacueert
hij/zij/hetevacueert
wijevacueren
jullieevacueren
zijevacueren

Past (verleden tijd)

ikevacueerde
jijevacueerde
hij/zij/hetevacueerde
wijevacueerden
jullieevacueerden
zijevacueerden

Perfect (voltooide tijd)

ikheb geëvacueerd
jijhebt geëvacueerd
hij/zij/hetheeft geëvacueerd
wijhebben geëvacueerd
julliehebben geëvacueerd
zijhebben geëvacueerd

Past perfect (voltooid verleden tijd)

ikhad geëvacueerd
jijhad geëvacueerd
hij/zij/hethad geëvacueerd
wijhadden geëvacueerd
julliehadden geëvacueerd
zijhadden geëvacueerd

Future (toekomende tijd)

ikzal evacueren
jijzult evacueren
hij/zij/hetzal evacueren
wijzullen evacueren
julliezullen evacueren
zijzullen evacueren

Conditional (voorwaardelijke wijs)

ikzou evacueren
jijzou evacueren
hij/zij/hetzou evacueren
wijzouden evacueren
julliezouden evacueren
zijzouden evacueren

Practise evacueren

Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.

1 of 60 ✓

Present

ik

How this verb works

  • Regular verb. The stem is evacueer. The infinitive evacueren has r before -en, which is not in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), so the past tense takes -de (evacueerde, evacueerden) and the participle ends in -d (geëvacueerd).
  • When jij comes after the verb, the -t drops: jij evacueert, but evacueer jij?

Questions about Dutch verbs

What is the past tense of evacueren?

evacueerde (ik, jij, hij/zij/het) and evacueerden (wij, jullie, zij).

What is the past participle of evacueren?

geëvacueerd, with hebben: ik heb geëvacueerd.

Is evacueren used with hebben or zijn?

With hebben: ik heb geëvacueerd, hij heeft geëvacueerd.

More verbs

All verbsAll verbs A to ZSeparable verbs: rules and checkerDe or het checker

Want to stop looking words up?

The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.

Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.