Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Level B1 · Regular

Leveren conjugation

leveren = to deliver

Infinitive
leveren
Past
leverde · leverden
Perfect
heeft geleverd

Quick answer

Leveren means to deliver. Past tense: leverde (singular) and leverden (plural). Past participle: geleverd, with hebben: ik heb geleverd.

Practise leveren

Present (tegenwoordige tijd)

iklever
jijlevert
hij/zij/hetlevert
wijleveren
jullieleveren
zijleveren

Past (verleden tijd)

ikleverde
jijleverde
hij/zij/hetleverde
wijleverden
jullieleverden
zijleverden

Perfect (voltooide tijd)

ikheb geleverd
jijhebt geleverd
hij/zij/hetheeft geleverd
wijhebben geleverd
julliehebben geleverd
zijhebben geleverd

Past perfect (voltooid verleden tijd)

ikhad geleverd
jijhad geleverd
hij/zij/hethad geleverd
wijhadden geleverd
julliehadden geleverd
zijhadden geleverd

Future (toekomende tijd)

ikzal leveren
jijzult leveren
hij/zij/hetzal leveren
wijzullen leveren
julliezullen leveren
zijzullen leveren

Conditional (voorwaardelijke wijs)

ikzou leveren
jijzou leveren
hij/zij/hetzou leveren
wijzouden leveren
julliezouden leveren
zijzouden leveren

Practise leveren

Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.

1 of 60 ✓

Present

ik

How this verb works

  • Regular verb. The stem is lever. The infinitive leveren has r before -en, which is not in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), so the past tense takes -de (leverde, leverden) and the participle ends in -d (geleverd).
  • When jij comes after the verb, the -t drops: jij levert, but lever jij?

Questions about Dutch verbs

What is the past tense of leveren?

leverde (ik, jij, hij/zij/het) and leverden (wij, jullie, zij).

What is the past participle of leveren?

geleverd, with hebben: ik heb geleverd.

Is leveren used with hebben or zijn?

With hebben: ik heb geleverd, hij heeft geleverd.

More verbs

All verbsAll verbs A to ZSeparable verbs: rules and checkerDe or het checker

Want to stop looking words up?

The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.

Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.