Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Level B1 · Regular

Presenteren conjugation

presenteren = to present, show

Infinitive
presenteren
Past
presenteerde · presenteerden
Perfect
heeft gepresenteerd

Quick answer

Presenteren means to present, show. Past tense: presenteerde (singular) and presenteerden (plural). Past participle: gepresenteerd, with hebben: ik heb gepresenteerd.

Practise presenteren

Present (tegenwoordige tijd)

ikpresenteer
jijpresenteert
hij/zij/hetpresenteert
wijpresenteren
julliepresenteren
zijpresenteren

Past (verleden tijd)

ikpresenteerde
jijpresenteerde
hij/zij/hetpresenteerde
wijpresenteerden
julliepresenteerden
zijpresenteerden

Perfect (voltooide tijd)

ikheb gepresenteerd
jijhebt gepresenteerd
hij/zij/hetheeft gepresenteerd
wijhebben gepresenteerd
julliehebben gepresenteerd
zijhebben gepresenteerd

Past perfect (voltooid verleden tijd)

ikhad gepresenteerd
jijhad gepresenteerd
hij/zij/hethad gepresenteerd
wijhadden gepresenteerd
julliehadden gepresenteerd
zijhadden gepresenteerd

Future (toekomende tijd)

ikzal presenteren
jijzult presenteren
hij/zij/hetzal presenteren
wijzullen presenteren
julliezullen presenteren
zijzullen presenteren

Conditional (voorwaardelijke wijs)

ikzou presenteren
jijzou presenteren
hij/zij/hetzou presenteren
wijzouden presenteren
julliezouden presenteren
zijzouden presenteren

Practise presenteren

Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.

1 of 60 ✓

Present

ik

How this verb works

  • Regular verb. The stem is presenteer. The infinitive presenteren has r before -en, which is not in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), so the past tense takes -de (presenteerde, presenteerden) and the participle ends in -d (gepresenteerd).
  • When jij comes after the verb, the -t drops: jij presenteert, but presenteer jij?

Questions about Dutch verbs

What is the past tense of presenteren?

presenteerde (ik, jij, hij/zij/het) and presenteerden (wij, jullie, zij).

What is the past participle of presenteren?

gepresenteerd, with hebben: ik heb gepresenteerd.

Is presenteren used with hebben or zijn?

With hebben: ik heb gepresenteerd, hij heeft gepresenteerd.

More verbs

All verbsAll verbs A to ZSeparable verbs: rules and checkerDe or het checker

Want to stop looking words up?

The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.

Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.