Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Level B1 · Regular

Produceren conjugation

produceren = to produce

Infinitive
produceren
Past
produceerde · produceerden
Perfect
heeft geproduceerd

Quick answer

Produceren means to produce. Past tense: produceerde (singular) and produceerden (plural). Past participle: geproduceerd, with hebben: ik heb geproduceerd.

Practise produceren

Present (tegenwoordige tijd)

ikproduceer
jijproduceert
hij/zij/hetproduceert
wijproduceren
jullieproduceren
zijproduceren

Past (verleden tijd)

ikproduceerde
jijproduceerde
hij/zij/hetproduceerde
wijproduceerden
jullieproduceerden
zijproduceerden

Perfect (voltooide tijd)

ikheb geproduceerd
jijhebt geproduceerd
hij/zij/hetheeft geproduceerd
wijhebben geproduceerd
julliehebben geproduceerd
zijhebben geproduceerd

Past perfect (voltooid verleden tijd)

ikhad geproduceerd
jijhad geproduceerd
hij/zij/hethad geproduceerd
wijhadden geproduceerd
julliehadden geproduceerd
zijhadden geproduceerd

Future (toekomende tijd)

ikzal produceren
jijzult produceren
hij/zij/hetzal produceren
wijzullen produceren
julliezullen produceren
zijzullen produceren

Conditional (voorwaardelijke wijs)

ikzou produceren
jijzou produceren
hij/zij/hetzou produceren
wijzouden produceren
julliezouden produceren
zijzouden produceren

Practise produceren

Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.

1 of 60 ✓

Present

ik

How this verb works

  • Regular verb. The stem is produceer. The infinitive produceren has r before -en, which is not in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), so the past tense takes -de (produceerde, produceerden) and the participle ends in -d (geproduceerd).
  • When jij comes after the verb, the -t drops: jij produceert, but produceer jij?

Questions about Dutch verbs

What is the past tense of produceren?

produceerde (ik, jij, hij/zij/het) and produceerden (wij, jullie, zij).

What is the past participle of produceren?

geproduceerd, with hebben: ik heb geproduceerd.

Is produceren used with hebben or zijn?

With hebben: ik heb geproduceerd, hij heeft geproduceerd.

More verbs

All verbsAll verbs A to ZSeparable verbs: rules and checkerDe or het checker

Want to stop looking words up?

The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.

Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.