Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Level B1 · Regular

Realiseren conjugation

realiseren = to achieve or realize

Infinitive
realiseren
Past
realiseerde · realiseerden
Perfect
heeft gerealiseerd

Quick answer

Realiseren means to achieve or realize. Past tense: realiseerde (singular) and realiseerden (plural). Past participle: gerealiseerd, with hebben: ik heb gerealiseerd.

Practise realiseren

Present (tegenwoordige tijd)

ikrealiseer
jijrealiseert
hij/zij/hetrealiseert
wijrealiseren
jullierealiseren
zijrealiseren

Past (verleden tijd)

ikrealiseerde
jijrealiseerde
hij/zij/hetrealiseerde
wijrealiseerden
jullierealiseerden
zijrealiseerden

Perfect (voltooide tijd)

ikheb gerealiseerd
jijhebt gerealiseerd
hij/zij/hetheeft gerealiseerd
wijhebben gerealiseerd
julliehebben gerealiseerd
zijhebben gerealiseerd

Past perfect (voltooid verleden tijd)

ikhad gerealiseerd
jijhad gerealiseerd
hij/zij/hethad gerealiseerd
wijhadden gerealiseerd
julliehadden gerealiseerd
zijhadden gerealiseerd

Future (toekomende tijd)

ikzal realiseren
jijzult realiseren
hij/zij/hetzal realiseren
wijzullen realiseren
julliezullen realiseren
zijzullen realiseren

Conditional (voorwaardelijke wijs)

ikzou realiseren
jijzou realiseren
hij/zij/hetzou realiseren
wijzouden realiseren
julliezouden realiseren
zijzouden realiseren

Practise realiseren

Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.

1 of 60 ✓

Present

ik

How this verb works

  • Regular verb. The stem is realiseer. The infinitive realiseren has r before -en, which is not in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), so the past tense takes -de (realiseerde, realiseerden) and the participle ends in -d (gerealiseerd).
  • When jij comes after the verb, the -t drops: jij realiseert, but realiseer jij?

Questions about Dutch verbs

What is the past tense of realiseren?

realiseerde (ik, jij, hij/zij/het) and realiseerden (wij, jullie, zij).

What is the past participle of realiseren?

gerealiseerd, with hebben: ik heb gerealiseerd.

Is realiseren used with hebben or zijn?

With hebben: ik heb gerealiseerd, hij heeft gerealiseerd.

More verbs

All verbsAll verbs A to ZSeparable verbs: rules and checkerDe or het checker

Want to stop looking words up?

The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.

Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.