Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Level B2 · Regular

Slenteren conjugation

slenteren = to stroll

Infinitive
slenteren
Past
slenterde · slenterden
Perfect
heeft / is geslenterd

Quick answer

Slenteren means to stroll. Past tense: slenterde (singular) and slenterden (plural). Past participle: geslenterd, with hebben / zijn: ik heb / ben geslenterd.

Practise slenteren

Present (tegenwoordige tijd)

ikslenter
jijslentert
hij/zij/hetslentert
wijslenteren
jullieslenteren
zijslenteren

Past (verleden tijd)

ikslenterde
jijslenterde
hij/zij/hetslenterde
wijslenterden
jullieslenterden
zijslenterden

Perfect (voltooide tijd)

ikheb / ben geslenterd
jijhebt / bent geslenterd
hij/zij/hetheeft / is geslenterd
wijhebben / zijn geslenterd
julliehebben / zijn geslenterd
zijhebben / zijn geslenterd

Past perfect (voltooid verleden tijd)

ikhad / was geslenterd
jijhad / was geslenterd
hij/zij/hethad / was geslenterd
wijhadden / waren geslenterd
julliehadden / waren geslenterd
zijhadden / waren geslenterd

Future (toekomende tijd)

ikzal slenteren
jijzult slenteren
hij/zij/hetzal slenteren
wijzullen slenteren
julliezullen slenteren
zijzullen slenteren

Conditional (voorwaardelijke wijs)

ikzou slenteren
jijzou slenteren
hij/zij/hetzou slenteren
wijzouden slenteren
julliezouden slenteren
zijzouden slenteren

Practise slenteren

Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.

1 of 60 ✓

Present

ik

How this verb works

  • Regular verb. The stem is slenter. The infinitive slenteren has r before -en, which is not in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), so the past tense takes -de (slenterde, slenterden) and the participle ends in -d (geslenterd).
  • When jij comes after the verb, the -t drops: jij slentert, but slenter jij?
  • Hebben or zijn: hebben for the activity itself, zijn when you say where to or what changed. We hebben de hele middag door de stad geslenterd. We zijn naar het strand geslenterd.

Questions about Dutch verbs

What is the past tense of slenteren?

slenterde (ik, jij, hij/zij/het) and slenterden (wij, jullie, zij).

What is the past participle of slenteren?

geslenterd, with hebben or zijn depending on the meaning: We hebben de hele middag door de stad geslenterd. We zijn naar het strand geslenterd.

Is slenteren used with hebben or zijn?

Both, depending on the meaning: We hebben de hele middag door de stad geslenterd. We zijn naar het strand geslenterd.

More verbs

All verbsAll verbs A to ZSeparable verbs: rules and checkerDe or het checker

Want to stop looking words up?

The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.

Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.