Level B2 · Regular
Concurreren conjugation
concurreren = to compete
- Infinitive
- concurreren
- Past
- concurreerde · concurreerden
- Perfect
- heeft geconcurreerd
Quick answer
Concurreren means to compete. Past tense: concurreerde (singular) and concurreerden (plural). Past participle: geconcurreerd, with hebben: ik heb geconcurreerd.
Practise concurrerenPresent (tegenwoordige tijd)
| ik | concurreer |
| jij | concurreert |
| hij/zij/het | concurreert |
| wij | concurreren |
| jullie | concurreren |
| zij | concurreren |
Past (verleden tijd)
| ik | concurreerde |
| jij | concurreerde |
| hij/zij/het | concurreerde |
| wij | concurreerden |
| jullie | concurreerden |
| zij | concurreerden |
Perfect (voltooide tijd)
| ik | heb geconcurreerd |
| jij | hebt geconcurreerd |
| hij/zij/het | heeft geconcurreerd |
| wij | hebben geconcurreerd |
| jullie | hebben geconcurreerd |
| zij | hebben geconcurreerd |
Past perfect (voltooid verleden tijd)
| ik | had geconcurreerd |
| jij | had geconcurreerd |
| hij/zij/het | had geconcurreerd |
| wij | hadden geconcurreerd |
| jullie | hadden geconcurreerd |
| zij | hadden geconcurreerd |
Future (toekomende tijd)
| ik | zal concurreren |
| jij | zult concurreren |
| hij/zij/het | zal concurreren |
| wij | zullen concurreren |
| jullie | zullen concurreren |
| zij | zullen concurreren |
Conditional (voorwaardelijke wijs)
| ik | zou concurreren |
| jij | zou concurreren |
| hij/zij/het | zou concurreren |
| wij | zouden concurreren |
| jullie | zouden concurreren |
| zij | zouden concurreren |
Practise concurreren
Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.
1 of 60 ✓
Present
How this verb works
- Regular verb. The stem is concurreer. The infinitive concurreren has r before -en, which is not in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), so the past tense takes -de (concurreerde, concurreerden) and the participle ends in -d (geconcurreerd).
- When jij comes after the verb, the -t drops: jij concurreert, but concurreer jij?
Questions about Dutch verbs
What is the past tense of concurreren?
concurreerde (ik, jij, hij/zij/het) and concurreerden (wij, jullie, zij).
What is the past participle of concurreren?
geconcurreerd, with hebben: ik heb geconcurreerd.
Is concurreren used with hebben or zijn?
With hebben: ik heb geconcurreerd, hij heeft geconcurreerd.
More verbs
All verbsAll verbs A to ZSeparable verbs: rules and checkerDe or het checker
Want to stop looking words up?
The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.
Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.