Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Level A2 · Regular

Rennen conjugation

rennen = to run fast

Infinitive
rennen
Past
rende · renden
Perfect
heeft / is gerend

Quick answer

Rennen means to run fast. Past tense: rende (singular) and renden (plural). Past participle: gerend, with hebben / zijn: ik heb / ben gerend.

Practise rennen

Present (tegenwoordige tijd)

ikren
jijrent
hij/zij/hetrent
wijrennen
jullierennen
zijrennen

Past (verleden tijd)

ikrende
jijrende
hij/zij/hetrende
wijrenden
jullierenden
zijrenden

Perfect (voltooide tijd)

ikheb / ben gerend
jijhebt / bent gerend
hij/zij/hetheeft / is gerend
wijhebben / zijn gerend
julliehebben / zijn gerend
zijhebben / zijn gerend

Past perfect (voltooid verleden tijd)

ikhad / was gerend
jijhad / was gerend
hij/zij/hethad / was gerend
wijhadden / waren gerend
julliehadden / waren gerend
zijhadden / waren gerend

Future (toekomende tijd)

ikzal rennen
jijzult rennen
hij/zij/hetzal rennen
wijzullen rennen
julliezullen rennen
zijzullen rennen

Conditional (voorwaardelijke wijs)

ikzou rennen
jijzou rennen
hij/zij/hetzou rennen
wijzouden rennen
julliezouden rennen
zijzouden rennen

Practise rennen

Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.

1 of 60 ✓

Present

ik

How this verb works

  • Regular verb. The stem is ren. The infinitive rennen has n before -en, which is not in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), so the past tense takes -de (rende, renden) and the participle ends in -d (gerend).
  • When jij comes after the verb, the -t drops: jij rent, but ren jij?
  • Hebben or zijn: hebben for the activity itself, zijn when you say where to or what changed. Ik heb vanmorgen vijf kilometer gerend. Hij is naar de bus gerend.

Questions about Dutch verbs

What is the past tense of rennen?

rende (ik, jij, hij/zij/het) and renden (wij, jullie, zij).

What is the past participle of rennen?

gerend, with hebben or zijn depending on the meaning: Ik heb vanmorgen vijf kilometer gerend. Hij is naar de bus gerend.

Is rennen used with hebben or zijn?

Both, depending on the meaning: Ik heb vanmorgen vijf kilometer gerend. Hij is naar de bus gerend.

More verbs

All verbsAll verbs A to ZSeparable verbs: rules and checkerDe or het checker

Want to stop looking words up?

The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.

Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.