Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Level A2 · Irregular

Verstaan conjugation

verstaan = to understand

Infinitive
verstaan
Past
verstond · verstonden
Perfect
heeft verstaan

Quick answer

Verstaan means to understand. Past tense: verstond (singular) and verstonden (plural). Past participle: verstaan, with hebben: ik heb verstaan.

Practise verstaan

Present (tegenwoordige tijd)

ikversta
jijverstaat
hij/zij/hetverstaat
wijverstaan
jullieverstaan
zijverstaan

Past (verleden tijd)

ikverstond
jijverstond
hij/zij/hetverstond
wijverstonden
jullieverstonden
zijverstonden

Perfect (voltooide tijd)

ikheb verstaan
jijhebt verstaan
hij/zij/hetheeft verstaan
wijhebben verstaan
julliehebben verstaan
zijhebben verstaan

Past perfect (voltooid verleden tijd)

ikhad verstaan
jijhad verstaan
hij/zij/hethad verstaan
wijhadden verstaan
julliehadden verstaan
zijhadden verstaan

Future (toekomende tijd)

ikzal verstaan
jijzult verstaan
hij/zij/hetzal verstaan
wijzullen verstaan
julliezullen verstaan
zijzullen verstaan

Conditional (voorwaardelijke wijs)

ikzou verstaan
jijzou verstaan
hij/zij/hetzou verstaan
wijzouden verstaan
julliezouden verstaan
zijzouden verstaan

Practise verstaan

Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.

1 of 60 ✓

Present

ik

How this verb works

  • Irregular verb: the past tense and participle do not follow the regular -te/-de pattern, so learn the three forms together: verstaan, verstond, verstaan.
  • Verbs that start with be-, ge-, her-, ont-, ver- or er- get no extra ge- in the participle: verstaan.

Questions about Dutch verbs

What is the past tense of verstaan?

verstond (ik, jij, hij/zij/het) and verstonden (wij, jullie, zij).

What is the past participle of verstaan?

verstaan, with hebben: ik heb verstaan.

Is verstaan used with hebben or zijn?

With hebben: ik heb verstaan, hij heeft verstaan.

More verbs

All verbsDe or het checker

Want to stop looking words up?

The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.

Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.